Studiereis Sussex

De studiereizen van LGOG gaan in 2012 naar het Zuid-Engelse Sussex. Klik hier voor meer informatie

Provincie Limburg

Terugblik

Excursie Zoutleeuw en Diest, 22 oktober 2011

Zoutleeuw
Zoutleeuw is een kleine stad in de provincie Vlaams-Brabant. De stad ligt in het Hageland (aan de grens met de Haspengouw). In de middeleeuwen lag Zoutleeuw aan de belangrijke handelsweg tussen Brugge en Keulen. Tot de 15e eeuw stond het bekend om zijn lakennijverheid. Zoutleeuw ontving belangrijke privileges van de hertogen van Brabant, maar moest als tegenprestatie het territorium tegen invallen uit het prinsbisdom Luik verdedigen. Hiertoe werd de stad rond 1330 met een sterke verdedigingsmuur omgeven. Aan de Markt bevindt zich een fraai ensemble van gebouwen uit de middeleeuwen en de renaissance. De trots van Zoutleeuw is de gotische Sint-Leonarduskerk.

De tijd lijkt stilgestaan te hebben. De St. Leonarduskerk domineert het kleine stadje en levert van alle kanten fotogenieke plaatjes.

Het monumentale bouwwerk staat vol met kostbaarheden, waaronder een zes meter hoge paaskandelaar en een enorme Sacramentstoren. Dit tabernakel is rijk versierd met beeldhouwwerk en reikt tot tegen de gewelven.

De ingang. Vanwege de vele aanwezige eeuwenoude kustschatten is de kerk alleen op afspraak te bezichtigen.

In de 16e eeuw ging de Beeldenstorm aan Zoutleeuw voorbij. Daarmee bleef in de Sint-Leonarduskerk zo’n schat aan middeleeuwse kunst bewaard.

Zoutleeuw is "fier" op het roemrijke verleden, o.a. het raadhuis, een geliefde trouwlocatie.

Tijdens onze stadswandeling hebben we eveneens een bezoek gebracht aan het stadhuis dat stamt uit de 16e eeuw. In de architectuur is zichtbaar, hoe de gotische structuur is beïnvloed door de opkomende stijl van de renaissance.

Onze trouwe leden Theo en Thea rusten even uit.

 

Diest
Ook Diest is gelegen in het oosten van het Hageland, in de provincie Vlaams-Brabant. Deze stad lag eveneens langs de drukke verkeersader tussen Keulen en Brugge. In de 14e en 15e eeuw waren er veel bezochte markten en profiteerde Diest volop van de lakennijverheid en – handel. Diest koestert zijn reputatie als Oranjestad. In 1499 kwam het in handen van graaf Engelbrecht II van Nassau (heer van Breda). Hierna bleef de stad bijna 300 jaar in bezit van de graven van Nassau, later prinsen van Oranje. Tijdens deze wandeling hebben we een bezoek gebracht aan de Sint Sulpitiuskerk (die dateert van de 14e tot en met de 16e eeuw) en het eeuwenoude Begijnhof, dat een wereldje op zichzelf is.

Toegangspoort van een van de best bewaard gebleven begijnhoven.

Het behoort tot de oudste, grootste en best bewaarde begijnhoven van de Nederlanden.

Voor de St.- Catharinakerk een uitbundige uitleg door de gids over het ontstaan van het Begijnhof dat sinds 1998 op de werelderfgoedlijst van de Unesco staat. Hierna volgde een gedetailleerd verslag van het dagelijkse leven van de bewoners.

Sinds 1998 staat het op de werelderfgoedlijst van de Unesco.

Na een kostbare renovatie is de fraaie binnenzijde van de kerk weer een juweel voor het oog.


De laatste begijntjes van Diest.

De wandeling begint en eindigt op de Grote Markt, met zijn prachtige gildehuizen en patriciërswoningen.

Op de markt uitleg over het historische Diest door een van de rondleiders. Dit was het begin van een wandeling door het eeuwenoude centrum van Diest bij stralen helder najaarsweer.

 

Excursie Geldern, 16 april 2011

Om 8.30 uur vertrok een goed gevulde bus naar het Duitse Geldern. Via een omweg langs kasteel Hoensbroek bereikten we rond 10.00 uur het kleine plaatsje vlak over de grens bij Venlo. Na een korte pauze vertrokken we naar Schloss Haag.

Dit stamslot behoort aan de Gelderse tak van de familie von und zu Hoensbroech. Dezelfde familie van het stamslot Kasteel Hoensboek. Het eigenlijke slotgebouw is tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog geheel verwoest.

Een deel van de gebouwen is in gebruik voor privé doeleinden van de grafelijke familie en in het overige gedeelte is een restaurant gevestigd. Op de landerijen is een golfbaan aangelegd.
Hierna loodsen onze zeer goed opgeleide gidsen de bus naar de “Villa von Eerde” en de Adelheidskirche. Na de pauze bezoeken we het Refektorium, klooster Nazareth, de Kapuzinerkirche, de Heilig-Geist-Kirche, de Festungsturm en de Kasematten.

Met name de Festungsturm heeft een indrukwekkende geschiedenis meegemaakt. De toren was ooit een onderdeel van de middeleeuwse stad. Nadat hij in verval is geraakt, is hij gebruikt als molen en gevangenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij in gebruik als uitkijktoren voor het tellen van de overvliegende Engelse vliegtuigen.

Na de stadswandeling kon iedereen nog even op het terras zitten alvorens we weer huiswaarts keerden.

Ook al heeft het huidige Geldern niet meer de grootte en allure van weleer, een bezoek aan deze stad is zeker de moeite waard. Er was genoeg te zien en de historische waarde is uniek.

(© foto's: Jos Krüll)

 


Lezing Oostenrijkse woningen, 17 januari 2011

Tijdens deze voordracht ging Paul Borger, van Heemkundevereniging Hoensbroek, in op het fenomeen “Oostenrijkse woningen”. Mooie, houten, alleenstaande huizen die meestal zwart van kleur zijn. Ze staan vaak in groepjes bij elkaar op idyllische plekjes tussen veel groen op een behoorlijke lap grond.

Paul Borger (rechts vooraan) geeft uitleg met behulp van een power point presentatie

Door middel van een gedegen onderzoek en een PowerPoint presentatie liet hij zien hoe deze woningen in Nederland zijn terechtgekomen. En dan ook nog met een flink aantal in de Mijnstreek. Vragen als: “Wanneer en waar kwamen ze vandaan en wie heeft er voor gezorgd dat deze woningen hier terecht kwamen. Welke aannemers hebben ze gebouwd?”, werden systematisch beantwoord.

De examenzaal van het Heerlense Bernardinuscollege was groot genoeg voor de 110 belangstellenden, veelal (ex-)bewoners van de Oostenrijkse woningen

 

Lezing Aspecten van de negentiende eeuw: voeding en water, 20 oktober 2010

Tijdens deze informatieve en culinaire avond gingen Martin van der Weerden, in samenwerking met Hans Bilo en Roelof Braad in op de aspecten van voeding en water in de negentiende eeuw. Een eeuw waarin veel grote veranderingen op politiek, militair, economisch en cultureel gebied hebben plaats gevonden. Vooral de maatschappelijke bovenlaag profiteert van de internationalisering van de keuken. De Franse keuken raakt in de mode. De vele gangen en de uitzinnige versieringen bepalen het prestige van de gastheer.

Dit onderwerp kon rekenen op een flinke opkomst van leden en andere belangstellenden. Zo'n 70 mensen bezochten de lezing


Martin van der Weerden, voorzitter van LGOG Kring Parkstad, geeft met behulp van een power-point-presentatie uitleg over eten en eetgewoonten in de 19e eeuw

De gewone arbeider, onder andere in Limburg, is al blij als hij voldoende heeft. Plaatselijke producten, vaak uit eigen tuin, voeren de boventoon. Men krijgt geen eenduidig beeld van de voeding in de 19e eeuw: de verschillen per streek, per seizoen en per sociale groep waren groot. In de pauze had een team onder leiding van mevrouw Florrie diverse hapjes klaar om te genieten van een keuze uit “eigen en eigentijdse” producten.


De dis is rijkelijk gedekt met hapjes om te proeven


Loon naar werken voor het keukenpersoneel, onder leiding van Riet Florie


Er wordt stevig gediscussieerd


Niemand gaat met een lege maag naar huis


Ook de dames van de cluster cultuur van de gemeente Heerlen genieten

 

Excursie naar Soignies (Zinnik), 26 juni 2010

Onder voortreffelijke weersomstandigheden brachten we een bezoek aan Soignies (Zinnik). Hoofdoel was de Romaanse Kapittelkerk (Collégiale) Sint Vincent.

De Collégiale St.Vincent is dominant aanwezig in het stadje. Het is een van de oudste (10e eeuw) en fraaiste Romaanse kerken van België

Hier worden de relieken van Vincentius Maldelgarius, de stichter van de stad, bewaard. Vincentius ging in de 7e eeuw als Heer van Strépy door het leven. Hij moet grote indruk gemaakt hebben door zijn correcte levenswandel, dadendrang en vele weldaden. In 670 zou hij het klooster van Sunniacum gesticht hebben. Aan een eerste bloeiperiode werd wreed een einde gemaakt door de invallen van de Noormannen. Vanaf het midden van de 10e eeuw herstelde het klooster zich en rond het jaar 1000 werd begonnen met de bouw van wat nu een van de oudste en fraaiste Romaanse kerken van België is. Het koor en de dwarsbeuk dateren uit deze beginperiode. De westtoren (reeds Gotisch) is van omstreeks 1250.

Smal, eeuwenoud straatje met uizicht op de St.Vincent

Het schip bestaat uit drie geledingen. Opmerkelijk zijn de Romaanse tribunes van de zijbeuken, die enige gelijkenis met de kathedraal van Doornik vertonen. De kerk heeft een rijk versierd interieur met o.a. een rijk versierd Renaissance doksaal uit de eerste helft van de 17e eeuw, een Gotische graflegging “met een levendige uitdrukking van de figuren”, een 13e-eeuwse Madonna in gepolychromeerde zandsteen en de door de gebroeders Mulpas op Barokke wijze bewerkte koorbanken en lambriseringen. 
Tevens zagen we de statige patriciërshuizen en het Oude Kerkhof. Bijna 150 grafmonumenten uit de 14e tot en met de 19e eeuw zijn er te bewonderen. Sinds elders in de stad de nieuwe begraafplaats functioneert, heeft het Oude Kerkhof het karakter van een openluchtmuseum gekregen. De steenhouwers van weleer hebben al hun kunstzinnige vaardigheid uitgeleefd om tot dit resultaat te komen. Al wandelend tussen de graven waant men zich eeuwen terug. De trotse graven van ontelbare generaties vormen ook een aanleiding tot bespiegelingen op het vlak van de mentaliteitsgeschiedenis. Centraal op deze begraafplaats verheft zich een bijzondere kapel. Het oudste deel (Romaans) stamt uit de 12e eeuw; het er later aangebouwde deel (laat Gotisch) uit de 17e eeuw. 

Statig patriciërshuis uit de 17e eeuw

In de kapel op het Oude Kerkhof is vanaf omstreeks 1900 een museum gevestigd, een soort heemkundig rariteitenkabinet. Tal van lokale vondsten en producten zijn er te vinden o.a. Paleontologische mammoettanden, archeologische vondsten uit de Prehistorie en de Romeinse tijd, geweren uit de 17e, 18e en 19e eeuw, porselein en faience.

In Zinnik is geen ontsierende nieuwbouw te vinden


Aan de wandel langs de veemarkt in opbouw


Laat 19e-eeuws stationsgebouw aan de rand van het centrum

 

Lezing Het Valkenburgse Ridderschap door dr. Frans Gerards, 26 mei 2010

Tijdens de lezing ging Frans Gerards in op het ontstaan en wording van de Valkenburgse Ridderschap, de diverse edelen uit het Land van Valkenburg die lid waren van dit college, de toelatingscriteria en toelatingsprocedure en de vergadercultuur. In 1662 werd dit college opgesplitst in een Staats en Spaans deel. Daarmee veranderde ook de toelatingscriteria. In de loop van de 18de eeuw werd de Ridderschap wat het aantal leden betreft flink uitgedund. In 1794, met de komst van de Frans overheersers, was het definitief einde oefening.

Voorzitter Martin van der Weerden verwelkomt spreker dr. Frans Gerards

Gedurende het ancien régime bestond de provincie Limburg – niet te verwarren met de huidige provincie Limburg – namelijk uit vier aparte landjes: het hertogdom Limburg, het graafschap Valkenburg en de heerlijkheden ’s-Hertogenrade en Dalhem. Elk landje had een apart Statencollege, bestuurders en ambtenaren. Daarnaast was er ook nog een gezamenlijk Statencollege voor de gehele provincie, de zogenaamde Landdag. Het Valkenburgse Statencollege bestond uit twee leden, namelijk de Ridderschap en afgevaardigden van de vier hoofdschepenbanken. Deze twee leden hadden elk één stem in de vergadering.

Frans Gerards licht de grote invloed van de Valkenburgse Ridderschap tijdens het ancien régime toe

De lezing is geheel gewijd aan de Valkenburgse Ridderschap. Naar deze groepering is weinig onderzoek gedaan. Dit staat in schrille tegenstelling tot wat de laatste jaren over de ridderschappen in andere gewesten is gepubliceerd. Het gebrek aan belangstelling voor de Valkenburgse Ridderschap kan voor een deel worden verklaard uit het feit dat veel historische materiaal verloren is gegaan.

 

Excursie naar Gangelt en Heinsberg, 24 april 2010

In Gangelt ging de rondleiding door een stadje dat zijn middeleeuws karakter nog niet verloren heeft. Hierbij kwamen wij langs de stadsmuur met toegangspoorten, welke dateren rond 1450. Binnen Gangelt bevinden zich maar liefst 75 objecten welke onder monumentenzorg vallen. De rondleiding voerde langs de restanten van de veertiende-eeuwse burcht die eertijds in bezit was van de heren van Heinsberg. De toren van de burcht – ofwel Bergfried – is tegenwoordig in privé bezit en doet dienst als woonhuis. Tevens bezochten wij de Pfarrkirche Sankt Nikolaus, waarvan het schip en de toren uit de veertiende eeuw stammen. Het interieur van de kerk is neogotisch. Na de Bourgondische ontvangst in Erzählkaffee Münchhausen werden de 45 deelnmers door een enthousiast vertellende en uit de lokale literatuur citerende gids rondgeleid langs de schatten van Gangelt.


Verstilde, authentieke atmosfeer van eeuwen her in de Pfarkirche Sankt Nikolaus


Een deel van de oude stadsomwalling, inclusief stadspoort, is nog intact


In een mooie, parkachtige omgeving ligt deze gerestaureerde. alweer bewoonde, woontoren

 
Het moderne gemeentehuis

 
De ingang van de Sankt Nikolaus


De Sankt Nikolaus in volle gotische glorie

In Heinsberg stond op het programma een bezoek aan de Propsteikirche Sankt Gangolf (waar nog graven uit de merovingische tijd zijn aangetroffen). Deze kerk, die ook bekend staat onder de bijnaam Selfkant-Dom, is laatgotisch qua verschijning. Vermeldenswaard zijn o.a. de Romaanse crypte en het praalgraf van de heren van Heinsberg (begin vijftiende eeuw). Naastgelegen is de ruïne van de burcht, waar vroeger de heren van Heinsberg zetelden (die vanaf de elfde eeuw ook de scepter over de Heerlijkheid Valkenburg zwaaiden). De kunstmatige heuvels, waarop de Sankt Gangolf en de burcht zijn gesitueerd, vormen samen de grootste overgebleven motte van het Rijnland. In de omgeving van de kerkberg bevinden zich nog resten van de middeleeuwse vestingwerken (met een stadsmuur en twee verdedigingstorens). In de zestiende eeuw vonden hier grote uitbreidingswerken plaats, die onder anderen resulteerden in de aanleg van kazematten.

 


Excursie Verviers en het Land van Herve, 18 april 2009

Op zaterdag 18 april vertrok een bijna volle bus naar het land van onze zuiderburen. Gelukkig was de regen alleen op vrijdag gevallen en konden we droog met volle moed op pad gaan. Vert et vieux (groen en oud), zo luidt de wapenspreuk van de stad. Volgens de overlevering zou Verviers een verbastering zijn van deze waarderende woorden die een middeleeuwse bisschop ooit uitsprak over het bosrijke oord. Historici menen dat de naam stamt van Virovius of Viroviacus, bewoners van een Gallo-Romeinse nederzetting. Hoe dan ook, de vallei van de Vesder is al sinds de vroegste tijden bewoond. Aan het schone, zachte water van dit onaanzienlijke stroompje dankt de plaats de bloei van de wolnijverheid sinds de 17e eeuw. Deze tak van nijverheid maakte een explosieve groei door vanaf de introductie van de spinmachine in 1797, de eerste op het Europese vasteland. Na het midden van de twintigste eeuw werd de stad getroffen door de concurrentie van de lagelonenlanden. De meeste textielfabrieken zijn intussen gesloten. Tegenwoordig is de stad ietwat vervallen, maar sfeervol en nog steeds groen.


Bij de arbeiderswoningen

Na een kop koffie met veel vlaai ( zij bleven maar stukken aanslepen!) gingen we onder deskundige leiding op pad. Verviers is een stad met hoogteverschillen en dat hebben we geweten.Maar wat er geboden werd, maakte het klimmen en dalen de moeite meer dan waard. Sporen van het rijke verleden zijn – zeker in het centrum – nog zichtbaar: fabrieken voor de wolfabricage, maar ook de huizen van de eigenaren, die van het hogere kader van de fabriek en die van het gewone werkvolk, dat toch geacht werd al het werk te verrichten.


Een aandachtig gehoor in de Franciscanenkerk te Verviers

Maar bovenal is de Vesder zichtbaar, de rivier waaraan Verviers zijn bloei te danken heeft. Immers geen wolfabricage zonder water en ook op de dag van vandaag speelt water een belangrijke rol in de stad, omdat het de Waalse hoofdstad van het water is. Hier is alles geconcentreerd wat in het politiek leven van Wallonië met water te maken heeft. 

Het grafmonument van Mathieu Brosky

Na de middagpauze vertrokken – nu begeleid door een zacht regentje – voor een tocht door het Land van Herve, waar we een bijzondere ontmoeting hadden op het kerkhof van Soiron. Daar ligt nl. een pastoor begraven die in 1799 in Heerlen geboren is, Mathieu Antoine Brosky. Natuurlijk hebben we zijn grafmonument, aan de buitenzijde van het koor van de kerk, bezocht en de groeten uit zijn vaderstad overgebracht.

 A la memoire du révérend Mathieu Antoine Brosky
né a Heerlen en 1799, prêtre en 1824, vicaire à Verviers depuis l'an1825 jusqu' en 1837, curé de Soiron pendant 7 ans
...] est decédé plein de mérites
....] des sentiments très édifiants
le 16 février 1844.
..] amis qui ont érigé ce monument en témoignage de leurs profondsregrets et de leur sincère attachement.
R.I.P.

Na nog geproefd te hebben van kaas, stroop en cider van Herve in het oude station van Herve, waar nu de Espace des Saveurs (Ruimte van de lekkere Smaken) gevestigd is, vertrokken we naar Heerlen, waar we keurig op tijd arriveerden, vol verwachting waar de volgende excursie ons heen zou brengen en wat ons daar te wachten zou staan.

 

Excursie naar België, 17 november 2008

Op 25 oktober vertrokken we richting België, nu eens niet ver maar dicht bij huis. De abdij van Godsdal (beter bekend onder de Franse naam L’Abbaye du Val-Dieu) bij Aubel was ons reisdoel. Dat de keuze van de excursiecommissie in de smaak gevallen was, bleek uit de aanmelding: 50 mensen hadden zich opgegeven en de bus was dan ook tot de laatste plaats bezet. Helaas was één persoon niet tijdig aanwezig maar ons beleid is al jaren dat we een vijf minuten wachten en dan onherroepelijk vertrekken. Zo ook nu: dus met 50 aanmeldingen en 49 personen (de chauffeur niet meegerekend) vetrokken we naar Aubel. De weersvoorspellingen waren beter dan de realiteit maar we hebben het de hele dag droog gehouden en dat is ook de moeite waard.
Uiteraard werden we ontvangen met koffie en een Belgisch stuk vlaai, zoals Martin ons dat toegezegd had. In onze naïviteit dachten we nog dat hij zich vergist had en een stuk Belgische vlaai bedoelde, maar nee: het was inderdaad een Belgisch stuk, fors van afmeting en goed voorzien van fruit. Grote potten koffie werden op de tafels neergezet en ook dat hebben we wel eens anders (zuuniger, zal ik maar zeggen) meegemaakt.
Maar goed, het gaat op zo'n dag niet om het eten en het drinken maar om mooie zaken te zien en daar een goede uitleg bij te krijgen. In beide plaatsen was die uitleg goed verzorgd. Nederlandstalige gidsen stonden tot onze beschikking. In Aubel moesten we die delen met een groep uit Antwerpen, waardoor er ongeveer 100 personen achter de gids aanliepen, maar zijn stemgeluid was dusdanig dat iedereen - met wat moeite misschien – alles heeft kunnen volgen.
Natuurlijk werd het winkeltje bij de abdij druk bezocht en de Val Dieu-kaasjes werden grif gekocht maar gelukkig niet in de bus genuttigd. Niet iedereen is gelukkig met de stevige geur van deze kaas.
Ik denk dat iedereen zeer tevreden in Heerlen is aangekomen en dat we ook in 2009 weer veel moois van de excursiecommissie mogen verwachten. De plannen die ontvouwd werde, klonken in ieder geval veelbelovend.

Jo Jamar, voorzitter

 L’Abbaye du Val-Dieu (Aubel)

De abdij van Onze Lieve Vrouw van Val-Dieu (Godsdal) werd in 1216 opgericht. De Cisterciënser monniken hadden de gewoonte zich op onherbergzame oorden te vestigen. Teruggetrokken van de wereld, meestal in een dal, konden zij zich toeleggen op hun enige middel van bestaan, het bewerken van de grond. Ze volgden daarin het voorbeeld van de Heilige Robert van Molesme, die op deze wijze terug wilde naar het oorspronkelijke ideaal van de Heilige Benedictus. Vanuit de vallei van de Berwinne vormden de monniken geleidelijk het centrum van het karakteristieke “Land van Herve”. Bedoeld als bakermat voor spirituele en intellectuele ontwikkeling werd de abdij tevens een economisch centrum van regionale betekenis. Menig conflict liet in de loop der eeuwen zijn sporen na: feodale ruzies, godsdienstoorlogen, opvolgingsoorlogen en de Franse Revolutie. Tot vier maal toe werd het complex gedeeltelijk vernield of beschadigd door brand. Desondanks is de homogene uitstraling van deze architecturale parel behouden gebleven. De Maaslandse Renaissance, waarin enkele Romaanse en gotische elementen verweven zijn, is duidelijk herkenbaar. De abdij wordt tegenwoordig beheerd door een lekengemeenschap die de Cisterciënser traditie probeert voort te zetten. Val-Dieu is ook bekend vanwege zijn kaas en abdijbier.

Limbourg
Over de aard van Limburg zijn talloze beschouwingen gepubliceerd. Wat bindt Limburgers? Hoe natuurlijk zijn de grenzen van onze provincie? Is bij de Vrede van Münster en de daaropvolgende vredesverdragen uit de 17e en 18e eeuw gescheiden wat bij elkaar hoort?
Het begon ooit in de diepe Middeleeuwen met de stichting van een vesting door de hertogen van Limburg boven op een heuvel, hoog boven de vallei van de Vesdre. Het oude woord “Limburg” betekent eigenlijk “burcht op een rots boven het water”. In de 12e en 13e eeuw verschansten de hertogen van Limburg zich hier tegen hun rivalen, de machtigere heren van Brabant, Luik en Luxemburg. Ongeschonden is Limbourg er niet vanaf gekomen. L’eglise St. George is meermalen verwoest en gerestaureerd. De burcht van de hertogen van Limburg is in 1675 door de troepen van Lodewijk XIV opgeblazen. Een kasteeltje in neorenaissancestijl is ervoor in de plaats gekomen.
In Limbourg is veel behouden gebleven en de sfeer is niet van deze tijd. Het scheve, langwerpige stadsplein is met losse straatkeien belegd en sfeervol door oude linden omzoomd. Aan weerszijden van het plein staan statige huizen uit de 17e en 18e eeuw. De gotische St. George heeft een toren uit 1301 en een diepe crypte die vroeger via een ondergrondse gang verbonden was met de burcht. Het interieur van de kerk is verwaarloosd, maar bevat niettemin fraaie stukken zoals een stenen tabernakel uit 1520, 16e-eeuwse doopvonten, 17e-eeuwse schilderijen en een rijkversierde houten kansel uit 1777. Een deel van de middeleeuwse stadsomwalling is behouden gebleven. Van hieruit heeft u een weids uitzicht over het Vesdredal.

 

Excursie naar Kasteel De Haar en Culemborg, 8 juli 2008

Op 16 juni ging de kring Parkstad naar Haarzuilens en Culemborg voor een bezoek aan kasteel De Haar en de stad Culemborg. Aanleiding voor het bezoek aan kasteel De Haar was uiteraard het Cuypers-jaar, dat weliswaar achter ons ligt maar kasteel De Haar blijft altijd de moeite waard.
Het reisdoel lag wel verder verwijderd van Parkstad dan we gewend zijn, vandaar dat excursiecommissie en bestuur daar indringend met elkaar over gesproken hebben. Maar juist gelet op de moeilijke bereikbaarheid van het kasteel voor reizigers met het openbaar vervoer, tevens gelet op de inbreng van een grote Limburger, Pierre Cuypers, bij dit kasteel en de mogelijkheid om een eigen rondleiding te krijgen, hebben ons doen besluiten de lange tocht voor lief te nemen. Bijna vijftig mensen hadden ingetekend en daarmee aangegeven dat het een juist besluit geweest was. Aangezien koffie en koek in de bus geserveerd werden, was de reistijd relatief kort en arriveerden we ruimschoots op tijd bij kasteel De Haar.
Het blijft een fascinerend gezicht dit grote kasteel daar midden in het landschap te zien oprijzen. Ook al stond een gedeelte van het kasteel in de steigers en waren niet alle tuinen te bezichtigen omdat ze gerenoveerd werden. Jammer dat het kerkje niet te bezichtigen maar uitgerekend die dag (en het tijdstip waarop wij daar waren) was door twee mensen uitgezocht om daar te trouwen. Een romantischer omgeving is bijna niet denkbaar.
Wij werden in twee groepen verdeeld zodat de gidsen alle aandacht aan ons konden geven die wij verdienden en wij de gelegenheid kregen alles goed in ons op te nemen. De eerste indruk – de grote hall – is meteen verpletterend. Zijn we in een gotische kerk beland? Je zou haast denken van wel. Cuypers heeft zich hier – maar niet alleen hier – kunnen uitleven. Overal zijn herinneringen aan de familiegeschiedenis van de Van Zuylens van Nijvelt te vinden. In iets mindere mate herinneringen aan de De Rotschilds, hoewel toch het kapitaal van de laatste de restauratie van het kasteel mogelijk gemaakt hebben. Bijna 20 jaar (van 1892 tot 1912) zou die restauratie duren, waarbij kosten nog moeite gespaard zijn. Een compleet dorp (Haarzuilens) moest verdwijnen om elders (op kosten van de baron) opnieuw opgebouwd te worden. Ongeveer 7000 volwassen bomen werden uit de provincie Utrecht overgebracht naar de omgeving van het kasteel omdat de eigenaar geen jaren wilde wachten totdat jonge aanplant tot wasdom gekomen zou zijn. Andere tijden, andere zeden maar zeker ook andere verhoudingen! 
Tegen 13.00 uur vertrokken we via een ietwat avontuurlijke tocht naar Culemborg. Nadat we daar – op eigen gelegenheid – geluncht hadden , werden we ook daar in twee groepen verdeeld om onder begeleiding het centrum van de stad te bezoeken. Steeds weer opnieuw is het een openbaring om onder begeleiding van deskundigen een object (of stad) te bezoeken. Details waar iedere bezoeker langs loopt zonder ze op te merken, krijgen ineens de aandacht en vertellen hun eigen verhaal.
Precies op het afgesproken tijdstip waren we om 20.00 uur terug in Heerlen. Wij hadden een dagtocht van 12 uur er op zitten. Maar het was de moeite waard.

  
Kringnieuws van 21 mei 2008

Interview Mgr. dr. J.M. Gijsen Hier te lezen (met dank aan LGOG Kring De Westelijke Mijnstreek).